31 jan Ziektewinst
Ziektewinst is een beladen woord, omdat het snel klinkt alsof ziekte “niet echt” zou zijn—alsof iemand het verzint, zich aanstelt of alsof je jezelf iets kwalijk moet nemen. Ziekte is echt, en toch kan het gebeuren dat ziek-zijn naast pijn, beperkingen en verlies óók iets oplevert: aandacht, rust, erkenning, verbondenheid, ontsnapping aan druk, houvast, en soms zelfs status. Dat is geen moreel oordeel; het is een beschrijving van hoe systemen—menselijk en maatschappelijk—soms werken.
In de psychologie wordt dit vaak gekoppeld aan het idee van secundaire winst (secondary gain): voordelen die ontstaan door de reacties van de omgeving op klachten, en die onbedoeld herstel kunnen vertragen. Het gaat daarbij zelden om bewuste manipulatie; vaker is het een slimme, oude overlevingsroute van het systeem. Wanneer rechtstreeks vragen onveilig is of was, vindt het lichaam of de mind een omweg. Niet omdat iemand zwak is, maar omdat het systeem loyaal is aan wat ooit nodig was om te kunnen blijven functioneren.
Op maatschappelijk niveau zie je ziektewinst wanneer er structureel meer geld, aandacht en macht naar symptoombestrijding gaat dan naar het verminderen van oorzaken. Dan wordt ziekte niet alleen een menselijke ervaring, maar ook een markt. In dat veld wordt bijvoorbeeld gesproken over disease mongering: het oprekken van grenzen van wat als aandoening geldt, waardoor meer mensen patiënt worden en de markt voor behandelingen groeit. Daarnaast is er reële discussie over de invloed van lobby op beleid, en over hoe een “ziekmakende” omgeving en commerciële oplossingen elkaar kunnen versterken. Dit is geen simplistisch verhaal van “alles is kwaadwillig”; het is een uitnodiging om eerlijk te kijken naar wat we belonen als samenleving: preventie en heelheid, of vooral producten en protocollen die ons gevangen houden in de loop van probleem-reactie-oplossing.
Op persoonlijk niveau is ziektewinst vaak het meest herkenbaar én het meest pijnlijk om onder ogen te zien, omdat het raakt aan basisbehoeften: gezien worden, gedragen worden, verbonden zijn, mogen stoppen, veilig zijn. Ziekte kan onbewust een entreekaart worden tot zorg en nabijheid—precies datgene wat iemand niet geleerd heeft direct te vragen, te ontvangen of in zichzelf te vinden. Als je nooit de ruimte voelde om grenzen te stellen, kan een lijf dat “opraakt” alsnog grenzen afdwingen. Als je niet hebt geleerd om rust te nemen zonder schuld, kan een burn-out ineens de enige “legitieme” pauze worden. En als je niet durft te zeggen “ik heb je nodig”, kan een symptoom die woorden alsnog manifesteren, maar dan zonder dat je het uitspreekt.
Dit mechanisme is niet onverschillig of zwak; het is vaak geniaal en subtiel. Tegelijkertijd kan het, zeker in een cultuur waarin zichtbaarheid en verhalen economisch waarde krijgen, doorschuiven naar iets dat steeds meer stagneert: een identiteit, status of inkomen dat gaat leunen op het vasthouden van het ziekteverhaal. Dat hoeft niet nep te zijn om wél beperkend te worden. Ziekte blijft echt, maar de beloning eromheen kan het systeem in een wurggreep nemen en houden, juist omdat het op een diep niveau iets vervult wat lang gemist is.
Spiritueel wordt het spannend, omdat woorden als “scheppen” en “creëren” snel kunnen ontsporen naar schuld: “dan heb je het dus zelf gedaan.” Een meer bewuste en volwassen benadering is zachter en preciezer: niet de vraag “wie is schuldig?”, maar “wat is het in mij waar ik mij niet bewust van ben wat dit co-creëert?” Als we onszelf zien als schepperwezens in relatie tot het leven, dan kan ziekte een uitnodiging zijn om uit onmacht en slachtofferschap te komen—niet door te ontkennen wat er gebeurt, maar door te kijken en te luisteren naar wat het zichtbaar maakt.
Welke waarheid wordt pas hoorbaar wanneer het lichaam “nee” zegt? Welke oude loyaliteit, angst, rouw, woede of grens vraagt om integratie? Soms nodigt ziekte uit tot actie en keuzes; soms tot overgave en vertraging; vaak tot beide. En soms is de les niet dat je het kunt “fixen”, maar dat je kunt leren dragen: het leven verduren met waardigheid, helderheid en liefde, zonder jezelf te vernauwen tot alleen controle.
Waar ziektewinst speelt, ontstaat bijna altijd tweestrijd. Aan de ene kant is er de schijnveiligheid van het bekende patroon: je weet wat het oplevert—zorg, rust, houvast, een plek in het systeem, een verhaal waarin je niet hoeft te riskeren. Aan de andere kant is er de natuurlijke beweging naar balans, die je uitnodigt om te helen. Maar heling betekent soms dat je iets opgeeft dat je onbewust nodig dacht te hebben om te overleven, en precies daarom kan verandering onveilig voelen, zelfs als het oude patroon je beperkt.
Daarom ligt de sleutel vaak in een perspectiefverschuiving van mind naar hart: van conflict, polarisatie en stress naar een uitgangspunt van eenheid, creatie en natuurlijke ordening. Het is niet voor niets dat “helen” etymologisch verbonden is aan het oud-Engelse hælan, dat ‘het herstellen van de eenheid’ betekent. In dat licht is heling niet de afwezigheid van symptomen, maar de afwezigheid van het innerlijke verzet, oordeel, angst en ontkenning—het moment waarop je stopt met de strijd tegen wat er nu is, en daardoor eindelijk kunt horen wat er werkelijk nodig is. Soms is dat behandeling en actie. Soms is dat verzachting en overgave. Soms is het de moed om rechtstreeks te vragen om wat je altijd via een omweg probeerde te krijgen: liefde, rust, steun, erkenning, waarheid.
Deze manier van kijken is geen vervanging van medische zorg, diagnostiek of therapie. Het is een extra lens: één die je uitnodigt om eerlijk te worden over de verborgen beloningen rond ziekte, zodat de onderliggende behoefte niet langer via pijn hoeft te worden vervuld, maar via bewustzijn, keuze en heelheid.
Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.